Het eerste woordenboek waarin het woord staat vermeld, is een scheldwoordenboekje uit 1989 van Hans Heestermans. Maar het is veel ouder. Twee poortwachters verklaarden op 4 februari 1750 tegenover notaris Cornelis Staal dat een inzittende van een huurkoets bij het voldoen van het poortgeld tegen de ene poortwachter had gezegd: ‘Gij schijnt ook wel van dat volk van de Hr Vaendrigh Kerkhooven die moerneuker te zijn’. Een VOC-stuk uit 1744 vermeldt hoe onderkonstabel Jacob Bos zijn stuurman toevoegde: “Moerneuker! Nou sal je in jouw moer!”  

Maar dat het woord halverwege de achttiende eeuw wel degelijk ruimer gebruikt werd, blijkt uit verschillende VOC-documenten. Zo lezen we in processtukken in het strafregister van Kaapstad een bloedstollend verhaal over wreedheden en ruziënde facties op het door scheurbuik getroffen schip de Loenderveen, dat in 1732 van Texel naar Kaap de Goede Hoop voer. Uit die stukken blijkt dat het de beklaagde zwaar werd aangerekend dat hij tegen de bemanning had gesnauwd: “Neukt jou moer, jouw moerneukers” (Worden 2009).
Lees hier meer.