Overheidsautomatisering is al jaren een pijnlijk proces. Niet alleen door bureaucratie, aanbestedingsregels en commercieel opererende marktpartijen. Ook (of juist vooral?) regie blijkt telkens weer mis te lopen bij grote, grotere, grootste overheidsprojecten. Zoals de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP), waar vele jaren projectuitloop, tientallen miljoenen kostenoverschrijding en bestuurlijke ophef uiteindelijk op een mislukking zijn uitgekomen.

 

In de basis lijkt het BRP geen al te moeilijk concept. Het gaat immers om basale persoonsgegevens die best zijn te vatten in een database: naam, geboortedatum, huidig adres, huwelijkse staat en dergelijke data. Overigens niet alleen van inwoners van Nederland (ingezetenen), maar ook van mensen die het land hebben verlaten (niet-ingezetenen) én van tijdelijke inwoners die hier beperkte tijd werken of studeren, aldus de BRP-uitleg van de rijksoverheid.

Politiek prestige
De duivel zit echter in de details. En die zijn er nogal veel bij deze cruciale database: qua voorgeschiedenis en qua (beoogd) gebruik. Om te beginnen was Operatie BRP de opvolger van het eerdere project mGBA. Die door problemen geplaagde ‘modernisering GBA’ moest de versplinterde aanpak van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens verenigen en naar een hoger plan tillen. De al jaren dienstdoende praktijk was dat de data op gemeentelijk niveau wordt vergaard, maar op rijksniveau wordt bewaakt en door vele honderden organisaties en instanties wordt benut.

In 2004 al heeft het toenmalige kabinet besloten dat dit moderner moest. Een lang ontwikkeltraject verstrengeld met politieke belangen is gevolgd. Uiteindelijk heeft in juli 2017 toenmalig BZK-minister Ronald Plasterk besloten om deze grote ICT-operatie te schrappen. Het project heeft dan na dertien jaar ontwikkelwerk en 102,9 miljoen euro niets opgeleverd. Nou ja, niet het beoogde resultaat, maar wél waardevolle lessen.

(bron: AG Connect)